30-05-06

Mannelijkheid

Toen op 15 april 1912 het schip Titanic zonk, overleefde 74% van de vrouwelijke passagiers terwijl 80% van de mannen stierf. Waarom? Omdat de mannen het principe ‘vrouwen en kinderen eerst’ volgden. Vandaag zou vanuit de gelijkheidsideologie het principe ‘vrouwen en kinderen eerst’ seksisme en discriminatie op basis van leeftijd voorgeworpen kunnen worden. Het weerleggen van de linkse leugen dat mannen en vrouwen gelijk zijn, leidt vaak tot beschuldigingen van seksisme. De constructie van een ‘sekse-neutrale samenleving’ is een sociaal experiment zonder voorgaande. Geslacht bepaalt onze rechten noch plichten en duidt ook onze plaats in de samenleving niet aan. Het gelijk maken van man en vrouw is, met uitzondering van de multiculturele illusie, de obsessie bij uitstek van het politiek correcte establishment.

De hoogdagen van het radicale feminisme (in essentie een aanval op het gezin) zijn echter voorbij en vandaag erkennen ook (socio-)biologen en sociologen dat mannen en vrouwen nu eenmaal niet gelijk zijn: mannen zijn abstracter in hun denken en agressiever in hun gedrag terwijl vrouwen eerder contextueel denken en bemiddelend in hun gedrag zijn. De ‘sekse-neutrale’ samenleving moet niets hebben van mannelijkheid maar kan er ook niet van af geraken. Dat is het onderwerp van een nieuw provocatief boek van Harvey C. Mansfield, de enige conservatieve professor aan de universiteit van Harvard, een beetje zoals een Deense cartoonist in een moskee. Mansfield is een aanhanger van Leo Strauss en deelt met hem de opvatting van de noodzaak om de grote politieke denkers te bestuderen: Plato, Aristoteles en Machiavelli, om er maar enkele te noemen. Die komen dan ook ruim aan bod met hun inzichten over mannelijkheid. Zo duidt het Griekse woord thumos op de levenskracht en moed die mannen niet uitsluitend maar wel in hoge mate bezitten. Ook studies over Edmund Burke en een vertaling van Alexis de Tocqueville’s Democracy in America zijn van zijn hand.

Aan diezelfde Havard-universiteit diende onlangs rector Larry Summers ontslag te nemen vanwege zijn opvatting dat vrouwen biologisch gezien minder geschikt zijn om uit te blinken in de exacte wetenschappen. In plaats van zichzelf en zijn positie te verdedigen, verontschuldigde hij zich zo vaak dat het onmogelijk werd voor zijn voorstanders om nog enige steun te verlenen. Zijn verontschuldigingen maakten hem onmannelijk, verklaarde Mansfield. Mansfields korte definitie van mannelijkheid is zelfvertrouwen in een riskante situatie. Het zelfvertrouwen geeft een mannelijke man onafhankelijkheid van anderen. Hij is in controle, tevreden met zichzelf en niet echt geïnteresseerd in andermans problemen. Mannelijkheid is geen deugd an sich maar is eerder een voorwaarde voor een deugdzaam leven. Mansfield geeft voorbeelden van beide zijden van de medaille: de brandweerlui die op 11 september hun leven riskeerden om de slachtoffers te redden en de terroristen die hun leven gaven om de aanslagen te plegen. Mannelijkheid kan zowel nobel en heroïsch als intolerant en gewelddadig zijn.

Verwacht hier geen verdediging van de patriarchale samenleving. Mansfield heeft geen probleem met de gelijke behandeling van man en vrouw op de werkvloer maar in het private leven “zou het moeten erkend worden dat mannen mannelijk zullen zijn”. Vooraleer je een gentleman kan zijn, dien je een man te zijn want een gentleman is zachtaardig uit principe, niet uit zwakheid. Mansfield pleit voor een begrip en aanvaarding van mannelijkheid om er een eerlijke en eerbare invulling aan te geven.

Manliness
Harvey C. Mansfield
Yale University Press, New Haven & London, 2006
ISBN 0-300-10664-5
290 blz.


P.S.: Harvard University Press weigerde jaren geleden reeds het boekvoorstel van Mansfield omdat gevreesd werd dat het een antifeministisch boek zou worden.

11:52 Gepost door Jan Lievens in Boekbespreking | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

21-05-06

Na het neoconservatisme

“Ik ben tot de conclusie gekomen dat het neoconservatisme zich als politiek symbool en als gedachtegoed heeft ontwikkeld tot iets wat ik niet langer kan steunen.” Met deze woorden neemt Amerika’s bekendste neoconservatief afstand van een ideeëngoed dat het buitenlands beleid van de regering-Bush flink heeft beïnvloed. Francis Fukuyama geniet vooral faam vanwege zijn bekende werk ‘Het einde van de geschiedenis’. Dat kwam als geroepen op het einde van de koude oorlog toen het communisme in elkaar stortte. Het boek werd echter door velen geïnterpreteerd als een lofzang op de overwinning en onvermijdelijkheid van de liberale democratie. Sindsdien probeert Fukuyama uit te leggen dat zijn boek in werkelijkheid gaat over modernisering: als landen een zekere economische ontwikkeling doormaken waardoor de bevolking zich eveneens kan ontwikkelen, dringen inspraak en openheid van het politiek systeem zich op. Maar net zoals Lenin de stellingen van Marx op zijn kop zette, zien de neoconservatieve haviken, met William Kristol van The Weekly Standard op kop, in de these van Fukuyama een blauwdruk om met militaire macht de geschiedenis een handje te helpen.

In zijn nieuw boek legt Fukuyama uit waarom hij in tegenstelling tot vele andere neoconservatieven niet overtuigd was van de noodzaak om Irak binnen te vallen. Hij probeert tevens een antwoord te formuleren of nieuwe inzichten hem diskwalificeren als neoconservatief of de neoconservatieve voorstanders van de oorlog hun principes verkeerd toepassen. Een van de belangrijkste ideeën van het neoconservatisme is dat het ingrijpen van de overheid in de samenleving – social engineering – vaak onverwachte en ongunstige gevolgen heeft en daarom met de grootste voorzichtigheid moet benaderd worden. Het is dan ook verwonderlijk dat het juist de neoconservatieven zijn die de utopie koesteren dat ze door militaire interventie een democratie kunnen opleggen. Democratie kan uiteraard niet zomaar opgelegd worden. De eerste voorwaarde voor de opbouw van een land is de veiligheid, nog steeds niet evident in Irak. Democratie ontstaat ook niet door het organiseren van verkiezingen en kan slechts bestaan als ze wordt geschraagd door een middenklasse.

In het buitenlands beleid pleit het neoconservatisme voor morele klaarheid. Het interne karakter van een regime is van belang: met regimes die democratie en mensenrechten niet respecteren sluit je geen deals. Een duidelijke tegenspraak met de realistische school van onder andere Henry Kissinger. Beiden zijn volgens Fukuyama echter ontoereikend om de uitdagingen op wereldvlak aan te gaan. Het buitenlands beleid van de VS moet dan ook dringend gedemilitariseerd worden. Hij pleit voor een ‘realistisch wilsonianisme’, met meer nadruk op internationale samenwerking. Fukuyama verheldert niet alleen zijn eigen standpunten maar werpt ook licht op de oorsprong en ontwikkeling van het neoconservatisme en de toepassing ervan, met name op vlak van buitenlands beleid, en in het bijzonder in Irak.

20:06 Gepost door Jan Lievens in Boekbespreking | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |